ROODKAPJE EN DE WOLF
Op een der eerste lentedagen voelde Wolf de honger knagen,
dus klopte hij bij grootmoe aan. Zij deed open, zag hem
staan
met scherpe tanden, valse lach. Hij gromde grijnzend:
'Goedendag.'
De arme grootmoe schrok zich naar: Straks eet hij me op met
huid en haar.
Ze sloeg de spijker op zijn kop, want hij vrat haar in één
hap op.
Maar grootmoeder was taai en schriel, hetgeen de wolf maar
slecht beviel.
'Ze is te weinig,' klaagde hij, 'dat is toch geen heel maal
voor mij.
Na zo'n schriel scharminkel moet je als wolf minstens nog
een toetje.'
Terwijl hij heel boosaardig lachte, zei hij: 'Ik denk,
dat ik zal wachten
tot Roodkapje, 't mals, jong ding, terugkomt van haar
wandeling.'
Grootmoe' s kleren, moet je weten, die hij natuurlijk niet
had opgegeten,
heeft hij opgeraapt en aangetrokken; haar jas, haar muts en
ook haar sokken.
Hij kamde en krulde zelfs zijn haar. In grootmoe's stoel zat
Wolf toen klaar.
Het kleine meisje kwam al gauw en vroeg aan Wolf
traditiegetrouw,
'O grootmoe, wat heb je 'n grote oren.' 'Dan kan ik je beter
horen.'
'Wat 'n grote ogen!' zei ze zoet. 'Dan kan ik beter zien wat
je doet,'
zei de Wolf, terwijl hij naar haar staarde, en watertandde
en likkebaardde.
Na dat karkas, vol bot en haar, dacht hij, smaakt zij als
kaviaar.
Maar Roodkapje knipoogde en zei: 'O wat een mooie bontjas
heb jij!'
'Fout!' riep Wolf haar nijdig toe. 'Wat heb je een
grote tanden, grootmoe,
dàt moet je zeggen, ezelskop. Nou ja, dan eet ik je zo maar
op.' '
t Kind lacht en trekt in een wipje een revolver uit haar
slipje.
Ze richt hem op het grote beest en beng, beng ...die is er
geweest!
Een week of wat later, ik weet 't nog goed, heb ik in het
bos Roodkapje ontmoet.
Ik herkende haar bijna niet, dat snap je, zo zonder cape en
zonder rood kapje.
‘Hallo!’ riep ze vrolijk. ‘Zie je wel, mijn prachtige
bontjas van WOLVENVEL!’
Waw, dat ziet er superknap uit!
BeantwoordenVerwijderenik.mis.jullie.echt.hard.en.zeker.juf.veerle.de.groetjes.daar.gr.serena
BeantwoordenVerwijderen